Astronaut! Dat was echt mijn hoogste droom. Ik wilde ook dierenarts worden en op een blauwe maandag wilde ik clown worden, dus het is ergens in het midden geëindigd. Als kind hield ik al heel erg van de natuur. 's Avonds deed ik het gordijn van mijn kamer open, en als ik de sterren zag, lag ik daar soms een uur naar te kijken. Dat vond ik magisch.
Toen ik twaalf was, werd André Kuipers gekozen als Nederlands astronaut. Mijn moeder zei: kijk, dit kan je dus worden. En ze zei ook dat hij arts is en dat het een hele aardige man schijnt te zijn, dus dat je niet echt een nerd hoeft te zijn om dat te worden. Dat opende een soort deurtje in mijn hoofd.
Grappig genoeg zit die fascinatie voor ruimtevaart heel specifiek bij mij. Mijn broertje heeft rechten gestudeerd en mijn zusje econometrie, dus die is ook wel bèta, maar interesse in de ruimte hebben ze totaal niet.
Dat heb ik echt te danken aan mijn scheikundeleraar, en daar ben ik nog altijd dankbaar voor. Op de middelbare school had ik namelijk het idee dat natuur en techniek te moeilijk was voor mij. Ik was niet extreem goed in natuurkunde, maar dat had er vooral mee te maken dat ik me niet zo supergoed kon concentreren. Bij alles met proefjes was ik meteen afgeleid, en dan zag ik mensen om me heen bij wie dat heel makkelijk ging.
Maar scheikunde vond ik heel leuk, vooral het theoretische deel. En toen zei mijn scheikundedocent tegen mij: volgens mij ben jij hier heel goed in, moet jij niet natuur en techniek doen? Door hem ben ik het gaan overwegen, en door hem heb ik het ook durven kiezen.
Ik ging André Kuipers achterna, want ik wist van hem dat veel astronauten een bètaprofiel hebben of arts zijn. Ik dacht: als ik arts word of een andere bèta-opleiding doe, dan heb ik nog kans op die carrière. Bovendien werd er zo vaak tegen me gezegd dat geneeskunde een geweldige studie is, en mijn vader is psychiater, dus feitelijk ook arts. Het was in mijn tijd een lotingstudie, en toen ik werd ingeloot in Amsterdam dacht ik: dit is een soort teken van het universum, dan ga ik het maar doen.
Er waren vakken die ik echt vet vond, zoals microbiologie en embryologie. De magie van iets eencellig dat uiteindelijk een heel kind wordt, dat vind ik nog steeds prachtig. Maar zodra het ging om patiënten die ziek waren en die ik heel vaak niet kon genezen, werd het anders. Dat was namelijk wel een beetje de boodschap: de meeste mensen kun je niet redden, je kunt ze alleen een beetje draaglijker door hun ziekte laten gaan.
Toen moest ik stage lopen in een verzorgingshuis, en uiteindelijk moesten die mensen mij bijna troosten omdat ik zo verdrietig was. Ik was echt een emotioneel wrak, terwijl ik om me heen zag dat andere studenten dat niet hadden. Toen vroeg ik mijn vader: dit is een stage van een maand en dit hou ik emotioneel al bijna niet vol, hoe zijn die coschappen dan? Hij zei: als je dit al niet kan, dan moet jij niet verder gaan met deze studie. Dus toen ben ik gestopt.
Ik heb dat eerste jaar wel netjes afgemaakt en toen in de zomer een soort crisisberaad gehad met mezelf en met mijn ouders. Mijn moeder is loopbaanbegeleider en had allemaal contacten, dus via haar heb ik een hele reeks mensen gebeld.
Uiteindelijk kwam ik erop uit dat dat bètaprofiel me toch heel erg aansprak. Ik miste echt sommen maken. Ik zat soms alleen op mijn kamer, echt kneuzig: mijn huisgenoten keken Friends of Sex and the City, en ik ging gewoon wiskundesommen maken. Omdat ik daar zin in had. Ik kon er alleen niet helemaal bij dat dat mijn weg zou zijn, want ik had nog steeds het gevoel dat het voor mensen was die echt heel slim zijn. En dat is stom, hè?
Toen kwam ik een flyer tegen van de master theoretische natuurkunde. Daarop stond: vraag jij je ook af hoe de grens van het universum eruitziet, hoe tijd werkt, wat het allerkleinste is en wat het allergrootste? Toen dacht ik: oh my god, dat zijn precies de vragen die ik mezelf de hele tijd stel. Vanaf dat moment had ik in mijn hoofd: blijkbaar is dat mijn studie.
De bachelor in Amsterdam was relatief breed: vakken sterrenkunde, natuurkunde en wiskunde. Wiskunde is toch een beetje de taal waarin je die studie moet leren. Maar er waren ook hele tastbare vakken, over vragen als: hoe zet een gas uit als je een fietsband oppompt?
Ik heb uiteindelijk geen sterrenkunde gedaan, omdat het grootste deel daarvan op de computer kijken is naar wat telescopen hebben waargenomen, terwijl ik met een telescoop naar boven wilde kijken. Wat ik het leukst vond, waren de vakken aan de filosofische kant van de wetenschap. Hoe werkt een zwart gat? Wat is tijd? Wat is ruimte? Je gaat er wel echt aan rekenen, maar vanuit die grote vraag: hoe werkt de wereld om ons heen?
Natuurkunde is echt een moeilijke studie, daar ga ik niet over liegen. Ik heb het afgemaakt, maar ik vond het niet makkelijk. Ik kon het me niet permitteren om mijn huiswerk niet te maken of niet naar college te gaan.
Wat vooral speelde, is dat ik het idee had dat er anderen waren die veel slimmer waren dan ik. In de wandelgangen hoorde ik dat theoretische natuurkunde de moeilijkste master zou zijn, dus dacht ik: dat kan ik dan niet, want ik ben niet de slimste in dit gezelschap. Ik moet zo slim zijn als de allerslimste, anders kan ik niet meekomen. Dat is natuurlijk onzin, maar dat wist ik toen niet. Niet iedereen hoeft professor te worden.
Ik ben daarom eerst aan een technische master begonnen, en dat was echt niet voor mij weggelegd, want ik liet alle experimenten ontploffen. Toen zei een decaan waar ik mee praatte, een vrouw die wiskunde had gestudeerd: jij moet gewoon theoretisch doen, dat ligt jou veel meer. Doordat zij dat zei, durfde ik het te gaan doen, en toen heb ik het ook afgemaakt.
Maar die stomme twijfel bleef terugkomen. Tot het moment dat ik mijn scriptie inleverde dacht ik: oef, ik weet niet of ik hier wel geschikt voor ben. Van al mijn studiegenoten was denk ik 10% vrouw, en ik ken geen vrouw die niet gedacht heeft: ik moet stoppen, want ik ben deze studie niet waard.
Toen ik aankwam bij natuurkunde en daar mensen leerde kennen, dacht ik: wow, dit zijn mijn mensen. Ze stellen allemaal heel veel vragen en nemen niets aan voor waar totdat ze het zelf hebben gezien. Ze zijn allemaal eigenwijs, maar ook heel geïnteresseerd. Geïnteresseerd in de wereld om zich heen, maar ook in elkaar. Ze willen gewoon alles begrijpen, en dat herken ik heel erg bij mezelf.
En ze waren supergrappig. Ik heb een groepje van acht vrienden aan die studie overgehouden waar ik nog steeds mee afspreek. Dat zijn echt mijn beste vrienden.
Bij de vakken kon je heel goed samenwerken, en dat is ook veel leuker. Alleen de masterscriptie is bij theoretische natuurkunde wel echt een eenzaam project. Er zijn mensen die daarin juist opbloeien, maar ik hou heel erg van sparren en overleggen.
Echt ‘all over the place’. Er zijn inderdaad mensen onderzoek gaan doen en er zijn mensen les gaan geven, wat ook leuk en heel belangrijk is, maar dat is echt maar een deel. Ik heb studiegenoten die voor de voedselindustrie zijn gaan werken, om te kijken hoe we duurzamer voedsel kunnen verbouwen in Afrikaanse landen. Iemand begon zijn eigen bedrijf met een platform waarop je bandjes kunt boeken. Een vriend van mij is een batterijstart-up begonnen, voor een duurzamere batterij die bijvoorbeeld op eilanden kan staan. Een andere jongen werkt bij het bedrijf van zijn vader aan koelsystemen in vrachtwagens. Ook heel random. En er zijn best veel mensen wetenschapsjournalist geworden. Zelf ben ik de media ingegaan.
Wat je misschien ook wel leuk vindt om te horen: toen ik afstudeerde, en eigenlijk al na de bachelor, kwamen de bedrijven echt als bijen op je af. Banken, consultants, startups, bedrijven die apps bouwen. Omdat iedereen weet: als je deze studie hebt afgemaakt, dan kan je analytisch denken. Ik heb zelf ook bij consultants gesolliciteerd, en dan merkte ik dat ze meer geïnteresseerd waren in mij dan in iemand die economie had gestudeerd. Terwijl ik dacht: ik weet niks van geld, ik kan alleen een beetje rekenen. Maar zij vonden juist interessant dat je in die studie leert puzzelen.
Ik maak wetenschapsprogramma's en duid wetenschap, bijvoorbeeld in talkshows. Ik heb zes jaar meegewerkt aan Pointer, dat veel meer journalistiek is, en daar heb ik echt leren interviewen. En ik heb een programma mogen maken dat Anna's Brains heet, waarvoor ik een team van slimme techneuten verzamelde om samen onmogelijke experimenten te bouwen. Op dit moment schrijf ik ook een boek over AI, samen met Jim Jansen, de hoofdredacteur van New Scientist. Dat was voor mij een goed excuus om me te verdiepen in hoe AI nou werkt.
Achter alles wat ik doe zit één missie: ik wil wetenschap populair maken en mensen laten voelen dat wetenschap je vriend is. Er worden veel misverstanden verspreid door mensen met belangen, bijvoorbeeld omdat ze vinden dat duurzaamheid slecht is voor hun business, of omdat ze denken politiek meer stemmen te krijgen door te zeggen dat klimaatverandering onzin is. Daar kan ik echt boos over worden, want wetenschap is er om ons allemaal vooruit te helpen. Ik wil ook dat mensen voelen dat wetenschap niet zo moeilijk is als het lijkt. Het is niet boven je pet.
Vooral het analytisch denken. Als je zo'n studie afmaakt, weet de rest van de wereld dat jij niet schrikt van een moeilijk probleem. Je leert doorzetten en niet op te geven als je iets niet meteen begrijpt. Een studie als natuurkunde of wiskunde leert je dat je veel meer kunt begrijpen dan je van tevoren denkt, als jij er zelf voor gaat zitten. Dat geeft een soort zelfvertrouwen waar heel veel bedrijven op zitten te wachten.
Absoluut wel. Het zijn allebei studies waarmee je nooit je tijd verdoet. Je leert jezelf uit te dagen, complexe puzzels op te lossen en in het geval van informatica ook echt zelf iets te bouwen. Dat is trouwens echt iets van deze tijd, waarin je alles kunt opzoeken: het is makkelijker om even naar een large language model te gaan dan om zelf voor iets te gaan zitten.
Het is wel zo dat programmeerwerk steeds meer uitbesteed zou kunnen worden aan AI-modellen. Maar er zal altijd iemand mee moeten kijken. Modellen dragen soms grote verantwoordelijkheden: denk aan privacy, of aan selectieprocedures. Die mogen niet discrimineren en geen dingen doen die iemand kwaad doen. Er moet dus altijd iemand meekijken, al is het maar omdat iemand verantwoordelijk moet zijn voor zo'n model. En als het fout gaat, moet je kunnen zeggen waar het fout gaat.
Verder zou ik zelf nooit in een wereld willen leven die ik helemaal niet begrijp. Als de enige mensen die het begrijpen de mensen zijn die heel veel geld willen verdienen, dan wordt de wereld niet beter.
Zeker. Natuurkunde en informatica zijn vooral een kwestie van begrijpen, maar wat we ook heel erg nodig hebben, zijn techneuten. En dat is helemaal niet per se op universitair niveau, maar ook op mbo- en hbo-niveau. Gewoon echt handige mensen die dingen kunnen maken, die hardware kunnen maken.
Ik ben een keer bij ASML geweest en dat was amazing om te zien. Op het moment dat de wereld heel snel verandert, en dat gebeurt nu met AI, hebben we mensen nodig die die technologie kunnen maken en die ervoor zorgen dat de hele supply chain van technologie functioneert. Ik vind het fijn als Nederland daar een grote speler in is. Want je ziet nu dat wij voor een heel groot deel van onze technologie afhankelijk zijn van Amerika: voor data, voor sociale media, voor weet ik veel wat allemaal. Ze kunnen ons gewoon dingen afdwingen. Ik geloof er heilig in dat we dit in Nederland en Europa zelf moeten kunnen. Dus jongens: sharpen your mind.
Laat je niet intimideren door kinderen of jongeren van wie je denkt dat die iets beter kunnen dan jij. Het allerbelangrijkste is dat jij iets leuk vindt om te doen. Ik wist op de middelbare school heel zeker: ik vind scheikunde leuk, ik vind wiskundesommetjes leuk, ik vind dat puzzelen leuk. Als je puzzelen leuk vindt, dan is de kans heel groot dat je bètavakken leuk vindt en dat je een bètastudie leuk vindt ook.
Dat geldt net zo goed als je van het vmbo of de havo komt. Vind jij technische dingen leuk, vind je het leuk om te sleutelen, of vraag je je af hoe je iets uit elkaar haalt? Ga dan gewoon een keer langs bij die studies. Dat is echt vet.
En kijk verder dan alleen wat het jou oplevert. Ik denk dat we een verantwoordelijkheid hebben om de wereld om ons heen te begrijpen, want anders gaan andere mensen er mee aan de haal. Er zijn heel veel grote problemen in de wereld: klimaatverandering, een voedseltekort, mensen die nog steeds doodgaan aan nare ziektes. Al die problemen kunnen we oplossen als er veel mensen zijn die eraan mee kunnen werken. Dus gebruik je talent en doe iets waardevols.